vlag uk.JPG

Hieronder volgt mijn correspondentie met Rembrandt-biograaf Gary Schwartz uit 2019. Dit naar aanleiding van zijn recente blog over mijn boek Rembrandts plan waarin hij fel tegen me van leer trekt. Schwartz noemt me onder meer ‘wrong-headed’ en ‘nasty’, schrijft dat ik me groter maak dan ik ben ‘by belittling other reseachers’, en stelt dat mijn ‘rebarbative manner’, mijn ‘tendentious argumentation’ en mijn ‘pose as possessor of the truth’ meer licht op mijn karakter werpen dan op dat van Rembrandt.

         Dat zijn stevige verwijten van een man die eerder al met een rechtszaak had gedreigd – nog voor mijn boek überhaupt verschenen was. Zijn blog heeft tot een kleine polemiek tussen ons geleid die op zijn website te vinden is. In die polemiek heb ik Schwartz om toestemming gevraagd om onze eerdere mailwisseling op mijn website te plaatsen, vanuit de gedachte dat dat de beste en snelste manier was om hem inhoudelijk van repliek te dienen. Veel van de onderwerpen die hij in zijn blog aansnijdt komen ook daarin al aan de orde.

         Daarnaast laat deze correspondentie zien dat Schwartz zijn oordeel allang klaar had voor hij mijn boek onder ogen kreeg. Reeds in zijn eerste mail verwijt hij me ‘zonder verdere voorkennis naar documenten’ te grijpen, en drie mails later zijn we op het punt waar de rechter in beeld verschijnt. Wie zo snel zijn conclusies trekt, laadt de schijn op zich van vooringenomenheid.

         Voor een genuanceerder beeld van mijn boek, zie hier. Ik dank Gary Schwartz voor zijn toestemming om de onderstaande mailwisseling openbaar te maken.

2 februari 2019

 

Geachte heer Schwartz,

 

Leuk u gister even te spreken. We hadden het over de 25 hoogoplopende conflicten die Rembrandt zou hebben gehad, en die ik niet kan vinden. Hier een snel overzicht van wat ik wel heb.

 

  • In 1636 is Rembrandt als voogd van zijn vrouw betrokken bij een rechtszaak in verband met de erfenis van zijn schoonouders, die voor zover we kunnen nagaan niet speciaal van hem uitgaat. Rembrandt cum suis winnen. Niet heel interessant.

  • In 1638 is Rembrandt als voogd van zijn vrouw opnieuw betrokken bij een rechtszaak in verband met de erfenis van zijn schoonouders, die voor zover we kunnen nagaan niet speciaal van hem uitgaat. Rembrandt cum suis winnen. Niet heel interessant.

  • In 1638 hebben we dan die Friese zaak wegens smaad. Zulke zaken waren heel gebruikelijk in de zeventiende eeuw. In Amsterdam bestond zelfs een speciaal rechtscollege dat zich hiermee bezighield, en met huwelijkszaken: de commissarissen van Huwelijkse zaken en Injuriën. Overigens verliest Rembrandt deze zaak niet omdat de gewraakte uitspraken wel degelijk hout sneden, maar omdat de tegenpartij aannemelijk weet te maken dat ze zich helemaal niet tegen Rembrandt en Saskia richtte, maar tegen Jeltie Ulenburch.

  • In 1658 blijkt dat er in 1642 een conflict is geweest met Andries de Graeff over een schilderij dat middels arbitrage is beslecht. Het fijne weten we er niet van, maar wat we wel weten is dat De Graeff Rembrandt 500 gulden heeft moeten betalen. Het lijkt er, kortom, op dat Rembrandt die zaak, waar die ook om draaide, in elk geval niet volledig heeft verloren.

  • Dan hebben we Rembrandts conflict met Geertje Dircx. Dat is een drama in meerdere bedrijven, maar omdat het hier om hoogoplopende conflicten gaat, tellen we hem als één – want dat is de kern van hoogoplopende conflicten, dat ze hoog oplopen.

  • Het conflict met Pinto over de fundering van het huis. Hoe dit precies is gelopen en afgelopen weten we niet.

  • Het gedoe met Thijsz over de afbetaling van het huis. Overigens geloof ik niet dat er aan die afbetaling zelf een conflict ten grondslag lag. Het was zeer in Rembrandts belang om die schuld af te betalen, omdat zijn schuld aan Thijsz van ouder datum was dan zijn schuld aan Titus, en die dus preferent was. Door zijn huis af te betalen middels nieuwe schulden, heeft Rembrandt zijn schuld aan Titus preferent weten te maken - aan wie uiteindelijk de opbrengst van de gedwongen verkoop van het huis is toegekend, plus nog wat meer. Het conflict waar ik op doel is dus het feit dat Rembrandt ietsje later dan verwacht met het geld over de brug kwam.

  • Dan hebben we de kwestie met D’Andrade waar we ook weer het fijne niet van weten.

  • In 1654 moet Hendrickje voor de Kerkenraad verschijnen. Strikt genomen is Rembrandt hierbij geen partij. Overigens geldt dat de kerk wel kan vinden dat Rembrandt en Saskia zouden moeten trouwen, maar dat de wereldlijke rechtsregels zo’n huwelijk in de weg stonden – dan zou Rembrandt eerst zijn erfenis aan Titus hebben moeten voldoen, en daar had hij het geld niet voor (waar nog bij komt dat onduidelijk was hoeveel Titus precies van Rembrandt tegoed had, zodat een eventuele uitkering aan Titus ongetwijfeld tot rechtszaken aanleiding zou hebben gegeven – maar dat is een ingewikkeld verhaal dat ik in mijn boek hoop te vertellen).

  • Voor Rembrandts faillissement geldt hetzelfde als voor Geertje Dircx: een drama in meerdere bedrijven dat ik tel als één hoogoplopend conflict. Waarbij overigens geldt dat Rembrandt in de drie rechtszaken die er zijn geweest, voor de schepenen, voor het Hof van Holland en voor de Hoge Raad, zelf geen partij was – de partijen waren Titus, vertegenwoordigd door zijn voogd, en Van Hersbeeck.

  • Het gedoe rond de Claudius Civilis. Maar hier weten we zo weinig van af dat we het eigenlijk niet eens als een conflict kunnen tellen.

  • Dan is er nog het gedoe met Ruffo. Voor zover we weten trekt Rembrandt aan het langste eind.

  • En dan tot slot nog het gedoe met Lodewijck van Ludick, die borg stond voor de schuld van Rembrandt aan Six die door Six aan Ornia is overgedaan. Ludick heeft in dit verband 1200 gulden aan Ornia betaald. Pogingen om dat geld van Rembrandt terug te krijgen zijn op niets uitgelopen, waarna hij in 1664 zijn claim aan Harmen Becker heeft verkocht, die pas in 1668 zijn geld van Rembrandt krijgt.

 

Ik tel, kortom, dertien akkefietjes, waarvan ik er slechts twee of drie als hoogoplopende conflicten zou willen duiden: de affaire Geertje Dircx, Rembrandts faillissement, en – vooruit – het gedoe met Harmen Becker.

Daarbij moeten we vaststellen dat Rembrandt niet maar wat in het wilde weg schoot, maar dat hij in de meeste gevallen aan het langste eind heeft getrokken. Dat geldt ook bij de rechtszaken rond zijn faillissement, waar hij, zoals gezegd, zelf geen partij in was: die zijn alle drie gewonnen door de familie Van Rijn, in casu Titus.

 

Het zou goed kunnen dat ik het een en ander mis. Ik ben benieuwd!

 

Met vriendelijke groet,

Machiel Bosman

-----------------------------------------------------------------------------------

3 februari 2019

 

Beste Machiel,

 

Wat goed dat je serieus werk maakt van mijn stelling over Rembrandts 25 geschillen. Ik kom daar later in detail op terug wanneer ik de tijd heb, maar ik kan je nu al zeggen in welke richting ik ga.

 

Wanneer men zonder verdere voorkennis naar documenten grijpt om iemands persoonlijke kwaliteiten te leren kennen, met een kritische houding tegenover bewijsstukken, dan kom je uit op een lijst zoals de jouwe. (Hoewel ik merk dat je de bedrogaanklacht van Samuel d’Orta uit 1637 niet opneemt. En om de affaire Geertje Dircx als één conflict te zien is ook niet juist. Rembrandts dreigementen aan de vriendinnen uit Edam komt er in elk geval bij.) Maar dat is niet de situatie met betrekking tot Rembrandt, en ook niet mijn uitgangspunt.

 

We starten met het feit dat geen van zijn vroege biografen een goed woord over had voor zijn karakter. Sandrart, Baldinucci and Houbraken waren er in hun boeken op uit om de deugden van kunstenaars te benadrukken. Voor een beroemdheid als Rembrandt hadden ze graag over zijn generositeit en prettige omgang met collega’s en opdrachtgevers gepocht. Dat was goed geweest voor het vak. Maar wat we lezen is het tegenovergestelde. Ik krijg het gevoel dat ze zich eerder inhielden in hun negatieve opmerkingen over Rembrandt, dan dat ze hem zwart wilden maken.

 

Wat ik dus deed was naar alle aanwijzingen in de documenten zoeken die het bestaande beeld van Rembrandt als een nukkige, gierige en arrogante man kon bevestigen of ontkrachten. Van bewijsstukken dat hij dat niet was, vind ik niets. Dit in tegenstelling tot b.v. Saenredam, die vertrouwen en waardering uitstraalt, en die met zijn dienstmeisje trouwde toen ze zwanger van hem raakte. Rembrandt is geen een keer gevraagd als expert of getuige of peetoom op te treden, wat ook tot zijn voordeel had kunnen spreken.

 

Wel tel ik drie personen die Rembrandt Vriend noemden – Huygens, Jan Six en Jeremias de Decker. (Ik heb daar zelfs een monoloog over geschreven, die door Henk van Ulzen uitgevoerd is in de Pieterskerk in Leiden op 15 juli 1986.) Maar alleen de Decker bleef vriend over tot het einde.

 

Het gaat dan ook niet over wie gelijk had in een geschil en welke hoogoplopend was of niet. Wat ik in de stukken zie, is dat Rembrandt niet in staat was opkomende conflicten met een beetje geven en nemen tot een rustige oplossing te brengen. Als je met Rembrandt een probleem had, was het zeer waarschijnlijk dat het bij de rechter of de notaris zou komen of de arbitrage leiden. Deze onverzettelijkheid en overtuiging van eigen gelijk is misschien een van de ingrediënten van zijn grootheid als kunstenaar – als sociaal wezen stond het hem in de weg.

 

De burden of proof is dus m.i. aan de verdedigers van Rembrandts karakter. Afknabbelen aan de ernst van individuele gevallen, zoals jij doet, is niet genoeg. Ook de sentimenten die men in portretten leest, vind ik niet ter zake doende. (Daarom kopieer ik deze mail aan Epco.) Kom maar met steekhoudende bewijsstukken die de biografen tegenspreken.

 

Tot het vervolg, met allerbeste groet, Gary

 

-----------------------------------------------------------------------------------

4 februari 2020

 

Geachte heer Schwartz,

 

Hartelijk dank voor uw uitvoerige reactie. D’Orta was me inderdaad even ontschoten.

 

Waar het verschil zit tussen u en mij, begrijp ik uit uw mail, is dat u geen goed kunt zien in Rembrandt, en dat u hem dus het voordeel van de twijfel niet meer gunt. Bij mij ligt dat anders, en dan valt de balans van die akkefietjes ook anders uit. Ik zie geen ‘nukkige, gierige en arrogante man’ – wat overigens nog niet wil zeggen dat ik het tegendeel zie. Ik probeer Rembrandt te volgen op zijn levenspad en te kijken of ik zijn acties kan doorgronden, aan de hand van bronnen die wat mij betreft niet bijzonder veel prijsgeven van zijn karakter.

 

Het is niet zo dat ik ‘zonder voorkennis naar documenten’ grijp, zoals u schrijft, ik doe dat zonder vooringenomenheid. En met een voorkennis die bij veel Rembrandt-deskundigen ontbreekt: een notie van het Rooms-Hollands recht en van de Amsterdamse administratie. En dat heeft ook zijn verdienste, kan ik u verzekeren: daardoor weet ik bijvoorbeeld dat de wet die volgens menigeen zou zijn uitgevaardigd wegens de schandalige manier waarop Rembrandt zijn faillissement zou hebben aangepakt in het geheel geen betrekking op Rembrandt heeft.

 

U zegt dat de burden of proof inzake Rembrandts karakter aan zijn verdedigers is. Ik geloof niet dat ik het daarmee eens ben, en ik geloof ook niet dat we in termen van aanval en verdediging moeten praten, maar dat doet nu niet terzake. Want als u voorbeelden zoekt van Rembrandts aardiger kanten, dan kan ik u die geven.

 

Ik begin dan met een citaat dat bijzonder weinig aandacht heeft gekregen in de Rembrandt-literatuur. Het is afkomstig uit de Familiekroniek van Frans der Kinderen, waar Isabella van Eeghen in 1972 in het Jaarboek Amstelodamum aandacht aan heeft besteed (117-162, aldaar 124). Het gaat over Jan Jansz de Stomme over wie ook Ben Broos een artikel schreef, waarin dit citaat eveneens te vinden is.

Mijn grootmoeder had een broeder genaemt Jan Voogelesang, dog best bekent bij de naem van de Stom van Frieslandt, sijnde stom en doof, dog een heel goet schilder. Hij was de schilder van de vorsten van Frieslandt en Oostfrieslandt. Hij was een dechiepel van Rembrandt en hadt hier bij hem gewoondt. Die getuygde dat hij noijt minder moyte met iemandt gehadt heeft als met hem, wandt doen zijn tijt om was en dat mijn grootmoeder het gelt brogt voor de kost, begeerde hij niet en sij, hij heeft mijn dienst en profijt genoeg gedaen, soo dat mijn grootmoeder haer gelt weer mee nam.

 

Voorbeeld nummer twee, die is veel bekender. In 1642 betaalt Rembrandt losgeld voor een Edammer die door Barbarijse piraten gevangen is genomen. Dat klinkt toch als een daad van altruïsme. Ik heb in elk geval nog nooit zoiets gedaan.

 

Nummer drie is ingewikkelder, dat is een van de voornaamste conclusies van het boek waar ik aan werk. Rembrandt heeft zijn faillissement aangegrepen (zo niet in gang gezet) om een nabestaandenregeling voor Hendrickje en Cornelia op te tuigen. Dat zit als volgt, en ik hou het kort.

         Rembrandts bezit is met zijn faillissement deels op Titus overgegaan, die vanwege de nog uitstaande erfenis van zijn moeder diens voornaamste crediteur is, met preferente rechten. In 1660 kennen de schepenen de opbrengst van de verkoop van het huis aan de Breestraat volledig aan Titus toe, al duurt het nog vijf jaar voor hij het geld daadwerkelijk krijgt in verband met de lopende beroepszaken.

         De familie Van Rijn heeft steeds zijn best gedaan ervoor te zorgen dat het bezit dat van Rembrandt op Titus is overgegaan aan beide staken van het samengestelde gezin waar Rembrandt de spil van is ten goede zou komen. Dat blijkt onder meer uit Titus’ testament uit 1657, waarin hij Cornelia als universeel erfgenaam stelt, met de bepaling dat het vruchtgebruik aan Rembrandt komt. Mocht Rembrandt overlijden, dan zal het vruchtgebruik op Cornelia en Hendrickje overgaan. Mocht Cornelia vervolgens trouwen, dan zal de ene helft door haar en de andere helft door Hendrickje worden genoten; maar mocht Cornelia overlijden, dan zal Hendrickje ‘de vruchten van de goederen haar leven langh tot haer onderhout mogen trecken’, etc.

         In december 1660 krijgt de nabestaandenregeling nadere vorm, met de oprichting door Titus en Hendrickje van een gezamenlijke handelsonderneming waar zij al hun bezit in zullen inleggen, plus alles wat ze nog zouden mogen komen te verwerven. ‘Ende sal wegens deselve compaignie en handelinge yder genieten de helft van de winsten en dragen de helfte vant verlies daerop sullende vallen’, aldus het contract van oprichting, waarin ook is bepaald dat de compagnie zal blijven bestaan zolang Rembrandt leeft, en nog zes jaren nadien.

         De firma van Titus en Hendrickje is in de literatuur doorgaans gezien als een vehikel dat Rembrandt zou moeten beschermen tegen zijn schuldeisers. Maar daarnaast lijkt dit vehikel mij ook bedoeld om het bezit dat Rembrandt, middels de aanspraken van zijn zoon op de erfenis van diens moeder, uit zijn boedel voor zijn gezin weet te behouden, gelijkelijk te verdelen onder beide staken van zijn samengestelde gezin – onder Titus en Hendrickje dus.

 

Dan hebben we Karel van der Pluym, Rembrandts neef, of eigenlijk achterneef, die in 1662 Titus in zijn testament opneemt – wellicht als stand-in voor Rembrandt, die vanwege zijn faillissement erfenissen voor de zekerheid maar beter aan zich voorbij kan laten gaan. Op 4 september 1668 vult Van der Pluym dit testament aan, en neemt hij toch een legaat aan Rembrandt op, in de vorm van een levenslange alimentatie van 100 gulden per jaar – kennelijk was dat een veiliger route. Voor dit document moet u in het Leids archief zijn (0506, inv.nr. 782, no.311), het staat niet in de Rembrandt Documents.

         Rembrandt wordt kortom in 1668 nog bedacht in het testament van een van zijn familieleden, iets wat in de literatuur bij mijn weten zelden wordt gememoreerd. Interessant is overigens dat Titus drie dagen later, op 7 september dus, in Leiden zijn testament maakt voor dezelfde notaris als waar Van der Pluym dat heeft gedaan. Zou dit kunnen verklaren waarom Titus toen in Leiden was? Zou die daar, misschien al ziek, heen zijn gegaan om Van der Pluym te vragen of die niet toch iets voor zijn vader kon betekenen in zijn testament?

 

U had het er afgelopen vrijdag ook over dat Rembrandt slecht met zijn schoonfamilie kon opschieten, en ik meen dat ook in een van uw boeken te hebben gelezen. Ik kan eerlijk gezegd maar weinig bronnen vinden over de relatie tussen Rembrandt en Saskia’s familie nadat Saskia is overleden, maar met dat weinige kan ik dat beeld niet staven. In 1658 (of 1659) zijn Hendrik van Uylenburgh en Jan van Loo bereid de familie Van Rijn uit de brand te helpen met getuigenissen omtrent de goederen die Rembrandt in 1642 zou hebben bezeten – dit in een poging Rembrandts opgave van de gemeenschappelijke boedel ten tijde van Saskia’s dood te onderbouwen, die evident niet klopte, zoals door de Hoge Raad op 22 januari 1665 is vastgesteld in een conclusie die in gebrekkige transcriptie in de New Rembrandt Documents te vinden is (deel II, 152 – waar “vercoop of 22.000” staat moet 22.000 worden gelezen, dat is het bedrag dat Rembrandt volgens de Hoge Raad tenminste moet hebben bezeten; het hoe en waarom hiervan volgt in mijn boek). En in 1668 trouwt Titus zelfs met de dochter van Jan van Loo, Magdalena.

Tot zover mijn verklaringen omtrent Rembrandts gedrag. Dan nog iets over de rechters waar Rembrandt zo makkelijk naar toe zou zijn gegaan; dat beeld is mijns inziens gechargeerd. Ik loop de betreffende kwesties even na.

  • De zaak in Friesland rondom de erfenis van de schoonouders is er een in meerdere bedrijven die merendeels niet speciaal van Rembrandt zijn uitgegaan. Overigens waren zulke zaken doodnormaal.

  • Dat ligt anders met de Friese smaadzaak, die wel door Rembrandt aanhangig is gemaakt, maar zoals gezegd in mijn vorige mail: zulke kwesties speelden zo veelvuldig dat er aparte rechtscolleges voor werden opgericht.

  • De zaak met Andries de Graeff is door bemiddeling afgedaan (terwijl een geschil rond een schilderij van Van der Helst toch echt door de Hoge Raad is beslist, zover is Rembrandt dus nooit gegaan).

  • Bij het akkefietje met Pinto weten we, van die aantekening achterop die tekening, dat Rembrandt opnieuw aan bemiddeling heeft gedacht.

  • In de kwestie Geertje Dircx, het deel rond de trouwbeloften en de alimentatie, zien we Rembrandt steeds proberen om ‘met een beetje geven en nemen tot een rustige oplossing te komen’, zoals u zou willen dat hij had gedaan. Ook die kwestie is door arbitrage beslecht, en wel door de commissarissen van de Huwelijkskamer in hun hoedanigheid van ‘goede mannen’ (de huwelijkskamer had de zaak ook naar de schepenen kunnen verwijzen, maar was zelf niet bevoegd om partijen tot een huwelijk te veroordelen, wat een van de mogelijke uitkomsten was en de dreiging die boven Rembrandts hoofd hing).

  • Het verzoek om Geertje in het spinhuis op te sluiten moet van haar familie zijn uitgegaan, wat Rembrandts rol daar ook in is geweest – maar het was niet zo dat een rancuneuze ex op verzoek zijn ex kon laten opsluiten.

  • En dan hebben we nog zijn faillissement: Rembrandt heeft de Hoge Raad verzocht om brieven van cessie, maar daarbij trad de Hoge Raad niet als rechtsprekende instantie op, maar als Hoge Overheid. Het verlenen van brieven van cessie was een landsheerlijk recht dat met het afzweren van de landsheer op de Raad is overgegaan. Bij de latere zaken rond Rembrandts faillissement was Rembrandt zelf als partij niet betrokken, die gingen tussen Titus en Van Hersbeeck.

  • Oftewel: Rembrandt is, voor zover we weten, slechts in rechtszaken in Friesland partij geweest, waarvan de meeste volstrekt oninteressant zijn. Blijft over de Friese smaadzaak.

Dan wilde ik tot slot nog iets zeggen over de bedreigingen van Rembrandt aan Geertjes vriendinnen in Edam waar u het in uw mail over heeft. Die bedreigingen zijn afkomstig uit verklaringen die op Geertjes verzoek voor een notaris zijn gedaan, en dat is een brontype waar bijzonder terughoudend mee moet worden omgegaan.

         Men ging makkelijk naar de notaris in de zeventiende eeuw, en er waren er veel van. Ze fungeerden in essentie als doorgeefluik: de notaris schreef op wat partijen hem vertelden en stond er voor in dat ze dat daadwerkelijk zo ten overstaan van hem hadden gezegd – maar hij stond er niet voor in dat wat ze zeiden ook klopte. De bewijskracht ervan was dan ook gering – en als dat toen zo gold, geldt dat zeker nu. Zie in dit verband bijvoorbeeld A. Pitlo, De zeventiende en achttiende eeuwsche notarisboeken en wat zij ons omtrent ons oude notariaat leeren (1948) 280-6.

         Ik heb eerder een boek geschreven, Elisabeth de Flines, over een rijke koopmansdochter die ervandoor gaat met de knecht van haar vader. Er staat een grote erfenis op het spel: als de dochter trouwt, krijgt ze het huis waar haar vader woont aan de Herengracht dat haar moeder aan haar heeft nagelaten. Het ontaardt in een rechtbankdrama, en één van de interessante dingen was dat beide partijen alsmaar getuigen voor de notaris sleepten, personeel en buren, die verklaringen aflegden die elkaar simpelweg uitsloten.

         In de verantwoording van dat boek heb ik dan ook geschreven: ‘Deze geschiedenis is gebaseerd op bronnen, niet op feiten.’

Dit is een lange mail geworden. Ik hoop dat ik u er niet mee heb verveeld. Ik ben benieuwd naar uw reactie.

 

Met vriendelijke groet,

Machiel

 

-----------------------------------------------------------------------------------

4 februari 2020

 

Beste Machiel, na het lezen van de eerste regels van je respons, kan ik je slechts verzoeken mijn mail weer te lezen en iets serieuzers te nemen. Gary

 

-----------------------------------------------------------------------------------

4 februari 2019

 

Geachte heer Schwartz,

 

Dat is jammer, want het was een lange mail waar ik lang aan heb gewerkt. Ik bedoelde er niets onaardigs mee. Mocht u dat toch zo hebben ervaren, dan komt dat door mijn onhandige formuleringen, en bied ik u mijn welgemeende excuses aan. Maar het klopt dat u schrijft dat u op grond van de voorkennis die u wel heeft en ik niet beter en dieper kunt oordelen over de bron, ook als de eigenlijke tekst zich daar niet direct voor leent?

Ik stuur u de mail nogmaals, ditmaal zonder de eerste alinea’s. Ik hoop dat er toch naar zult willen kijken. En nogmaals mijn excuses.

 

Met vriendelijke groet,

Machiel Bosman

 

-----------------------------------------------------------------------------------

Vervolgens heb ik mijn mail nogmaals verstuurd, maar nu zonder de eerste twee alinea’s.

 

-----------------------------------------------------------------------------------

4 februari 2019 / reactie GS:

Natuurlijk ga ik je mail lezen, maar nu ben ik op weg naar Londen voor een paar dagen en daarna naar de VS.

 

-----------------------------------------------------------------------------------

4 februari 2019 / reactie MB:

 

Prima, fijn, dan hoor ik van u! Een goede reis gewenst. Hartelijke groet, Machiel

 

-----------------------------------------------------------------------------------

4 februari 2019 / aanvulling MB:

 

Dag, ik heb een fout gemaakt in mijn eerdere mail die ik toch nog even wilde rechtzetten. Mijn suggestie met betrekking tot Titus' verblijf in Leiden kort voor zijn dood, te vinden bij de passage over Karel van der Pluym, klopt niet. Titus maakte zijn testament niet op 7 september, zoals ik schreef, maar op 1 september, en daarmee valt mijn suggestie om.

Daarnaast geldt dat ik in mijn overzicht van rechtszaken e.d. de zaak tussen Rembrandt en Hiskia uit 1656 ben vergeten, die wel degelijk voor de rechter is gekomen en die in Amsterdam tot een beslissing is gebracht.

Mijn excuses voor deze omissies. Er zullen er vast nog meer zijn...

Met vriendelijke groet,

Machiel

------------------------------------------------------------------------------

5 augustus 2019 (dat wil zeggen een half jaar later)

Beste Machiel,

Op de opening van Rembrandts social network of een andere gelegenheid vorig jaar of begin dit jaar, daagde jij me uit gestalte te geven aan mijn claim dat Rembrandt in 25 conflicten verwikkeld was, zoals in mijn boek uit 2006 schreef. Wat ik schreef was dit:

 

The documents concerning Rembrandt as a person are less flattering. His conflicted family life and troubled financial affairs generated more than 150 documents in the archives of the courts, tax authorities and notarial registers of Amsterdam, Leiden, The Hague, Leeuwarden and elsewhere. Rembrandt was involved in more than twenty-five legal battles of various kinds. Even when he was not the one who started the fight, his involvement made it more likely that a dispute would turn bitter. In some of these affairs, which could stretch out over decades, he was capable of sneaky and sometimes cruel behavior. There is a notable lack in the Rembrandt documents of the trust and warmth that are often encountered in the papers recording other Dutch lives. The same is true of most posthumous mementoes of Rembrandt by people who knew him and who portray him as arrogant and insensitive.

 

De personen en instellingen met wie Rembrandt in conflict raakte, voor de rechter, de notaris of goede mannen, zijn:

 

Albertus van Loo, Neeltje Rommerts, His van Emingha (1636/6, 1638/1)
Samuel d’Orta (1637/7)
Focco Feyckens, Dirck Alberts, Ulricus Uylenburgh (1638/3)
Albertus van Loo, Mayke van Loo (1638/7)
Arnoldus Jellema, Dirck Alberts (1646/1)
Burgemeesters Leiden (1647/3)
Geertge Dircx eerste oproep (1649/3, 1649/4, 1649/6, 1649/7)
Huwelijksekrakeelkamer (1649/3)
Geertge Dircx tweede oproep (1649/8, 1649/9)
Rembrandt neemt deel aan actie tegen Geertge Dircx (ws. 1650/5)
Thesaurier Extraordinarius Amsterdam (1652/1, betaling achterstallige belasting)
Christoffel Thysz aangaande terugbetaling belastingschuld (1653/2, 1653/3)
Christoffel Thysz aangaande betaling koopprijs huis (1653/7, 1654/20)
Diego d’Andrada (1654/4)
Dirck van Cattenburgh (1654/6, 1654/7)

Daniel Pinto (1654/8)
Pieter Dircxsz (1656/2)
Trijn Outger, Trijn Jacobsdr (1656/5)
Daniel Francen (1656/18, 1656/19)
Hiskia van Uylenburgh (1656/20)
Gerbrand Ornia, impliciet Jan Six (1657/3)
Jan Six (1659/18)
Lodewijk van Ludick (1659/15, 1662/6, 1664/3, 1664/6)
Andries de Graeff (1659/21)
Antonio Ruffo (1662/11, 1662/12)
Daniel en Abraham van Gaesbeecq, over wanprestatie van Rembrandt die aan Titus verweten (1665/5, 1665/6)
Harmen Becker (1665/17, 1665/19, 1665/20, 1667/4)
Jacob van Leest (1666/2)

Sinds het verschijnen van het boek zijn twee verdere voorbeelden gepubliceerd. In New Rembrandt Documents 13 bleek dat Rembrandt op 15 juli 1643 weer actie nam aan het hof in Leeuwarden, tegen Cornelius van Heermans en Dirck Alberts.

 

Ook heeft hij de agenten van de Genoese familie Sauli dwars gezeten. In Schwartzlist 290 somde ik het geval op in deze woorden:

The story is gripping. In the 1660s the Genoese aristocrat Francesco Maria Sauli was in the midst of a campaign to glorify the family church, the 16th-century Nostra Signora Assunta basilica in Carignano. How and why we do not know, but he and the rest of the family decided to ask Rembrandt to submit models for two large paintings for the church. They commissioned Captain Gio Lorenzo Viviano of the Genoa merchant fleet to work together with the Amsterdam agents Voet and Benzi in order to get the work from Rembrandt. They had a hard time getting a straight story from the artist, whom they called unreliable and unpredictable, like all his colleagues (“al solito de pittori, quest’huomo è stravagante, e sopra le sue parole non gli si può far stato”), and avaricious to boot. (“Col Rembrante non so come ne usciró me ne domanda di tutte due fiorini 3000 quando ne chiedè da principio solamente fiorini 1200.”)

 

Niet opgenomen in deze lijst is het vermoedelijke uiteenvallen met Huygens, het uitschrijven van Rembrandt als erfgenaam van zijn zuster, de wijziging in de testamenten van Saskia ten nadele van Rembrandt en andere door Rembrandt veroorzaakte of verergerde spanningen die men hier en daar vermoed.

 

In jouw mail aan mij van 4 februari, laat jij een aantal van deze zaken de revue passeren, waarvoor je verzachtende omstandigheden of andere mogelijkheden tot uitleg opvoert. Dat is makkelijk gedaan, met fragmentarische bewijzen. Maar het patroon waar ik het over heb – dat een geschil met Rembrandt gauwer naar het bittere einde door ging – is daardoor niet verzwakt. Ook in de gevallen waar Rembrandt gelijk kreeg, zocht hij dwangmiddelen in plaats van overleg. De vergelijking die mij steeds opdringt is met mijn andere held Pieter Saenredam, over wie in zijn langer leven, en in eveneens honderden documenten, geen enkele wanklank klinkt. Hij werkt voorbeeldig samen met collega’s, dient als de actiefse deken dat het Haarlemse gilde van Sint Lucas ooit kende, trouwt met zijn huismeisje wanneer hij haar bezwangert, betaalt zijn rekeningen op tijd. Zo kan het ook. In Haarlem, lijkt Rembrandt meer op, maar is niet zo erg als Jan Miense Molenaer.

 

De boeiende getuigenis uit de “Familiekroniek van Frans der Kinderen” die je citeert – waarvoor dank, het is een mooi document – past in een ander patroon dat als gunstig voor Rembrandts professioneel gedrag aangevoerd kan worden. Onder de personen met wie hij in conflict raakte, is geen enkele leerling. De opmerkingen van Hoogstraten en Houbraken over Rembrandt als strenge leraar en het uitblijven van lovende woorden over hem, doen daar een beetje vanaf, maar niet veel.

Er zijn ook andere aardige uitspraken over Rembrandt en vriendschappen, vooral van Jeremias de Decker, maar ook van Michiel Willemans. Hij had ook zijn innemende en trouwe kant.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nu ik je schrijf, moet ik je zeggen dat de aankondiging van je boek Rembrandts val mij in het verkeerde keelgat schiet.

 

Rembrandt van Rijn was een moeilijk mens met weinig oog voor anderen. Hij had een gat in zijn hand en ging bedrieglijk failliet. En hij hield er een onstuimig liefdesleven op na, onder anderen met Geertje Dircx, die hij hardvochtig liet opsluiten in het spinhuis te Gouda. Toch?
         Nee. Dat zijn ‘alternatieve feiten’. Het is wat geleerden ervan hebben gemaakt in een soort fluisterspel: men praat elkaar na. Machiel Bosman loopt Rembrandts leven na in de latere, beeldbepalende jaren, met onder meer zijn faillissement. En hij doet aan fact checking: wat hebben de kenners geschreven, en hoe verhoudt zich dat tot de bronnen? 
         Dan blijkt bijvoorbeeld dat er over Geertje Dircx bijzonder weinig met zekerheid te zeggen valt, en dat Rembrandts faillissement heel anders in elkaar steekt dan tot nu toe werd verondersteld – waarmee ook zijn karakter in een ander licht komt te staan.
In het Rembrandtjaar 2019 stelt Machiel Bosman ons beeld van Rembrandt bij. En niet alleen dat, hij laat ook zien dat de geschiedschrijving er veel bij te winnen heeft wanneer men terugkeert naar de bron.

 

Hebben H.F. Wijnman en Dirk Vis, die de kunsthistorici dwongen rekening te houden met de documenten over Geertge Dircx, elkaar nagepraat? Hebben Paul Krenshaw en ik de documenten niet gelezen? Was Bas Dudok van Heel uit z’n nek aan het kletsen toen hij bij de presentatie van mijn boek uit 1984 Rembrandt “een nare querulant” noemde? Waar heb je het over? Wie heeft Rembrandt ooit van “een onstuimig liefdesleven” beticht? Wie zijn de andere vrouwen behalve Geertge Dircx waarvan een “kenner” ooit zei dat Rembrandt een onstuimige liefdesrelatie op na hield?

 

Mocht jij de aantijging handhaven dat wij “alternatieve feiten” debitteren, met kennis van het kwade wil die die frase in de amerikaanse politiek inhoudt, laat je mij geen andere keuze dan je voor de rechter te halen.

 

Met collegiale groet,

Gary

 

-----------------------------------------------------------------------------------

6 augustus 2019

 

Beste Gary,

Dank voor je mail. Daar had ik eerlijk gezegd niet meer op gerekend. Gelet op de uitsmijter aan het einde lijkt het me verstandiger er niet inhoudelijk op te reageren.

 

Met vriendelijke groet,

Machiel Bosman

 

-----------------------------------------------------------------------------------

8 augustus 2019: van een derde begrijp ik dat Gary zijn dreigement als een ‘rembrandteske grap' had bedoeld. Gary stuurt via via aan op een bemiddelingspoging. Ik laat weten dat ik op vakantie ben en na terugkomst contact met Gary op zal nemen.

 

-----------------------------------------------------------------------------------

20 augustus 2019

 

Beste Gary,

 

Ik ben net terug van vakantie, vandaar mijn late reactie. Ik begreep van [een derde partij] dat er sprake was van een misverstand; dat ik de ironie in jouw mail heb gemist, maar dat het niet werkelijk je bedoeling was om naar de rechter te gaan. Daar ben ik blij om, en het spijt me dat ik dat niet heb gezien.

Ik begreep ook dat je had voorgesteld om een keer op het Rembrandthuis samen koffie te drinken. Daar ga ik graag op in, maar wel pas als mijn boek is verschenen (begin oktober). Anders zou ik me toch enigszins opgelaten voelen – als ik wel weet wat er in mijn boek staat en jij nog niet. Ik denk echt dat het beeld van Rembrandt enigszins uit het lood is geslagen en dat er cruciale informatie is gemist. Het lijkt me prettiger elkaar met open vizier tegemoet te treden.

 

Hartelijke groet,

Machiel

 

-----------------------------------------------------------------------------------

22 augustus 2019

 

Beste Machiel,

 

Wat je zegt komt erop neer dat je mij niet wil spreken tot dat ik jouw boek heb gelezen. Omdat ik behoorlijk zware verplichtingen heb, zou dat een hele tijd op zich kunnen wachten. We kunnen jouw redenering omdraaien: wij weten allebei wat ik over Rembrandt heb geschreven. In een gesprek zou jij duidelijk kunnen maken welke cruciale informatie ik over het hoofd heb gezien, of onvoldoende gewicht aan heb verleend.

 

Met kunsthistorische groet,

Gary

 

-----------------------------------------------------------------------------------

23 augustus 2019

 

Beste Gary,

Dit is geen onwil, maar het lijkt me echt beter om te wachten tot mijn boek verschenen is. Mijn argumentatie krijg ik niet bij een kop koffie uitgelegd, daar heb ik een boek voor nodig, vandaar.

 

Met vriendelijke groet,

Machiel

-----------------------------------------------------------------------------------

Tot zover mijn mailwisseling met Gary Schwartz, die met dit laatste bericht ten einde kwam.